Terug naar menu
Column
Omdat ik nu bijna dagelijks een weblog bijhoud, stopt deze column, in ieder geval voorlopig. Mijn weblog is
hier te lezen en biedt de mogelijkheid om er direct op te reageren.
1 juni 2006.
Onlangs ging ik op bezoek bij mijn moeder, die 73 is. Ik, in december 50 geworden, had het album meegenomen met foto's die in Dubai zijn gemaakt.
Ze bleef lang kijken naar een foto waar ik zelf op sta. Toen zei ze: "Wat een mooie foto! Die wil ik hebben."
Ik was wel verbaasd, want ik sta nooit leuk op foto's en deze was daarop geen uitzondering. Mijn moeder bleef naar de foto kijken en zei: "Je lijkt erg op je vader... toen ik hem leerde kennen."
Ik zag de gelijkenis niet zo, maar ik was zeven toen hij stierf en heb een ander beeld van hem dan mijn moeder.
"Op deze foto ben je een mán," zei ze. "Op andere foto's ben je altijd, hoe zal ik het zeggen, ja, een jongen, Jongensachtig, in ieder geval, jeugdig."
Ik moest denken aan de eerste strofe van een gedicht dat ik zo'n 25 jaar geleden schreef en dat te vinden is in Jij bent mijn mooiste landschap:
Ik wil graag weten wanneer volwassenheid begint.
Ik vraag het maar - mijn moeder zegt:
hoe oud je ook bent, je blijft altijd mijn kind.
Ik geloof dat mijn moeder nu tóch gezien heeft dat ik volwassen ben geworden.
Ted van Lieshout (mei06)
Ik was op een middelbare school om een workshop te verzorgen. Er waren geen docenten bij aanwezig - die hadden iets anders te doen - en ik vond de leerlingen "raar". Ze vroegen aan mij of ze naar de wc mochten, hadden geen papier bij zich en geen pen, en zelfs geen schooltas, en ze vroegen of ze eerder naar huis mochten omdat ze misselijk waren of naar de tandarts moesten. Gaandeweg kwam ik erachter dat ze dachten dat ik een docent was, een docent die ze toevallig nooit eerder op school hadden gezien. Ik zei, best wel patserig: "Ik ben helemaal geen leraar; ik ben schrijver, dichter en tekenaar, en het kan me helemaal niks schelen of je naar de wc moet en je slijpt maar een puntje aan je vinger als je niks hebt om mee te schrijven, want dit is een workshop, om te worken dus!"
"Een workshop is dat u werkt en dat wij luisteren," zei een bijdehand allochtoontje, en al gauw zat de stemming er wel in, want ik noemde de kinderen oervervelende klieren en de leerlingen genoten daar erg van. Van de workshop kwam weinig terecht, maar het was wel erg gezellig.
Ik ben na afloop fijn naar huis gegaan en heb mijn honorarium geïnd, maar verbaas me na 25 jaar nog steeds over deze gang van zaken. Waarom voor veel geld een schrijver op school uitnodigen als die vervolgens het werk van de docent, die veel beter is in het geven van workshops, moet opknappen? Waarom veel geld spenderen aan een schrijver, als je tegen de leerlingen zegt, langs je neus weg: " O ja, morgen komt er een zeker iemand een workshop geven."
Uit ervaring weet ik dat als je scholieren lekker maakt door te zeggen dat er een beroemde schrijver op school komt (ook al is dat in feite overdreven) en het schrijversbezoek met aandacht en plezier voorbereidt, de kinderen zenuwachtig en gespannen wachten tot het feest begint! Zo'n bezoek is altijd een succes. Verzuimen om een schrijversbezoek goed voor te bereiden is in míjn ogen: stelen van kinderen. - Ik heb gezegd.
Ted van Lieshout (apr06)
Mijn neefje is zeven. In zijn ogen ben ik een gewone oom die hij weinig ziet omdat ik ver weg woon. Daar is - tijdelijk - iets in veranderd. Tijdens de opening van een tentoonstelling waarbij hij aanwezig was en waarbij de meneer achter de microfoon een publiek van meer dan 200 mensen toesprak, zei die man ineens: 'En een speciaal welkom voor Ted van Lieshout.'
Mijn neefje stond naast mij en ik zag een kleine siddering door zijn lijfje schieten. Hij was ineens aandachtig. Hij begreep niet goed waarom te midden van al die vreemden de naam van zijn oom in de microfoon werd getoeterd. Maar hij vond het wel heel bijzonder. Hij drukte zich een beetje tegen me aan en ik legde mijn hand op zijn schouder.
Vervolgens zag hij dat zijn oom zelf achter de microfoon ging staan en dat publiek toesprak, en vanaf dat moment voelde hij zich een bijzonder jongetje in het gezelschap. Tegen wie het maar wilde horen zei hij: 'Dat is mijn oom.' Zelfs toen ikzelf even met een jonge vrouw aan het praten was onderbrak hij ons en vroeg aan haar: 'Weet je wel wie dat is? Dat is mijn oom!'
Toen we even later wandelden naar het station en mijn neefje stond te springen omdat hij vergeten was om op tijd naar de wc te gaan, werd ik weer een normale oom: ik maakte me breed zodat hij achter me in een hoekje kon staan zonder dat we beboet werden voor wildplassen.
Ted van Lieshout (maa06)
Het was aangekondigd, ik was op tijd, en alles stond klaar. Ik kon aan de lezing beginnen in een bibliotheek in het zuiden van het land. Het probleem was dat er maar twéé kaartje waren verkocht. De mevrouw van de bieb keek zorgelijk, want ze vond het sneu voor mij; ik keek zorgelijk, want ik vond het sneu voor háár, en allebei schaamden we ons een beetje voor de lage opkomst.
Er is een ongeschreven regel die zegt dat je niet hoeft op te treden als er minder dan drie mensen komen, en als er méér dan drie zijn, dan treed je wel op. In dit geval waren er twee bezoeksters plus twee dames van de bieb, en dus besloot ik gewoon op te treden. - Soms heb je gewoon de pech dat een optreden, om wat voor reden dan ook, in het water valt. Omdat de zon schijnt of juist omdat het regent. Of er is voetbal op tv waar niemand aan gedacht heeft. Of er is geen aanwijsbare reden.
Het deed me denken aan een middag in IJmuiden, een jaar of tien geleden, toen ik samen met collega Rindert Kromhout zou optreden in een klein theater. Het publiek bestond uit twéé meisjes en de vader van één van hen. Rindert en ik besloten om toch op te treden, en dat viel niet mee. Wél voor ons! Niet voor de meisjes! Omdat ze maar met zijn tweetjes waren, richtten Rindert en ik al onze aandacht voortdurend op de meisjes, die daardoor geen moment de aandacht konden laten verslappen. We keken ze aan en zij keken terug en durfden amper met de ogen te knipperen. Ik geloof dat ons optreden voor die twee meiden oververmoeiend was.
Dat was niet het geval bij de vier dames in de bieb, onlangs. Het was duidelijk dat ze zich amuseerden. Ik had misschien gehoopt dat ze me na een half uur wel zat zouden zijn, maar dat gebeurde niet. Dit keer was ík het, die na een lezing van zeven kwartier voor vier dames, een beetje uitgeput was.
Ted van Lieshout (feb06)
Na 27 jaar is er een einde gekomen aan het abonnement dat ik had op de Volkskrant. Ik liep al jaren aan te hikken tegen de krant, vooral vanwege de armoedige berichtgeving over kinder- en jeugdliteratuur. Ik vind de Volkskrant niet meer zo goed, cultureel arm, en informatieverstrekking heeft te vaak ruim baan moeten maken voor lulkoek.
De krant ziet mij, omgekeerd, ook allang niet meer zitten. Dat merkte ik o.a. doordat ik om verschillende redenen uit de kolommen van de krant ben verbannen. (Zie o.a. Het ondergeschoven kinderboek in het menu.)
Ik zal na al die jaren beslist moeten afkicken, want het is niet niks om na 27 jaar ineens geen krant meer te hebben. - Voorlopig denk ik nog even niet na over een andere krant; ik wil kijken of ik het red zónder krant.
De Volkskrant berichtte dat NS voortaan positiever gaat berichtgeven over het eigen functioneren. Is er een vertraging, dan wordt dat niet gemeld, maar dan wordt gezegd: "Reizigers die staan te wachten op de trein van half 9, hebben het geluk dat ze meekunnen met de trein van half 10. Fijn he?"
Ter afscheid stuurde ik op 21 december dit gedicht naar de Volkskrant:
Als 't regent, miezert, mist of giet
dan rijden treinen meestal niet.
Bij blauwe lucht en zonneschijn
dan rijdt er doorgaans ook geen trein.
En heeft de conducteur geen zin
dan rijden treinen evenmin.
Vrijdag 23 december kreeg ik antwoord: "Geachte lezer, Dank voor uw e-mail, die we met belangstelling hebben gelezen. Helaas kunnen wij uw reactie niet publiceren. Wij ontvangen dagelijks een honderdtal brieven, faxen en e-mails. De redactie is daar heel blij mee, maar de ruimte om reacties te publiceren is beperkt. Wij hopen dat u hiervoor begrip heeft."
Ja, hoor, alle begrip. Vaarwel, Volkskrant. Het was best mooi, die 27 jaar. Maar het is beter zo.
Ted van Lieshout (dec/jan05)

Uit De Aarsman Collectie in de Volkskrant van 8 december 2005; Hans Aarsman: "Bertha vóór een bezoek aan de computer en Bertha erna. Achter haar zijn auto's, lantaarnpalen en hekken weggehaald, dat zie je meteen. Maar aan Bertha zelf is ook het nodige gesleuteld. Haar hals- en borstlijn zijn strakker geworden... Het is dat we de bovenste foto erbij hebben, anders konden we niet weten dat de onderste nep is."
De Volkskrant kan er zelf ook wat van. Volkskrant Magazine columniste Maria vóór een bezoek aan de computer en Maria erna. Aan Maria is het nodige gesleuteld. Haar halslijn is strakker geworden. Het is dat we de linkerfoto erbij hebben, anders konden we niet weten dat de rechter nep is.
Ted van Lieshout (dec05)
Ik geef weinig om verjaardagen; die van mijzelf vind ik nog het minst interessant. Behalve mijn komende verjaardag. Op 21 december word ik 50. Dat is an sich niks bijzonders, niet méér bijzonder dan 48 of 49, maar tóch. Ik zie het om de een of andere reden als een soort mijlpaal. Iets dat je háált. Of niet! En ik heb het dus gehaald. Toch ga ik mijn verjaardag niet vieren. Nou ja, ik neem op de zondag voor mijn verjaardag mijn broer en zijn gezin mee voor een tochtje, maar aan mijn verjaardag zélf doe ik niks. Doe ik nooit. Te veel gedoe. Ik vind het leuk als mensen bellen of een kaartje sturen, zodat ik merk dat ze aan me gedacht hebben, maar ik heb liever geen visite. Geen taart. Geen cadeautjes die ik helemaal niet nodig heb. Laat maar.
Een van mijn levendigste kindertijdherinneringen is die waarin ik weer eens in mijn bed lig met een astma-aanval. Mijn moeder staat bij de deur van mijn slaapkamer met de klink in haar hand, en ik zie aan haar dat ze zich machteloos voelt. Ze kijkt naar mij met medelijden. Ze wil me dolgraag van mijn astma-aanval af helpen, maar ze kán het niet. Ineens schiet het door mijn kop: ik zal het zélf moeten doen. Ik wil mijn moeder geruststellen, maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Ik laat maar gewoon zien dat ik niet aan het doodgaan ben.
Mede doordat ik vrij vaak ziek was dacht ik als kind dat ik niet oud zou worden. En later bleef ik dat denken. Misschien kon ik me wel gewoon geen voorstelling maken van mezelf als oude(re) man. Ik dacht dat ik misschien 45 zou worden. Inmiddels zit ik op 50. Zélf gedaan. Niks bijzonders. Maar tóch...
Ted van Lieshout (dec05)
Ik geef het eerlijk toe: ik probeer uit alle macht aandacht voor mijn nieuwe boek te krijgen door te roepen dat ik dit jaar 50 word en bovendien 25 jaar in het vak zit, maar heel veel zoden heeft dat niet aan de dijk gezet. Het wordt niet erg interessant gevonden.
Groot was de verbazing toen in de krant weliswaar aandacht werd besteed aan mijn boek, maar met déze kop: Moeder van Ted van Lieshout slaapt uit.
Tja, als ik had geweten dat de krant dát interessante informatie vindt, had ik dat wel eerder willen vertellen, maar dat kon ik toch niet weten?
Het klopt: mijn moeder slaapt graag uit, maar nu ze wat ouder is komt het er vaak niet van. Ze wordt vanzelf vroeger wakker. Ze staat dan op en gaat later op de dag fijn een dutje doen, in plaats van uitslapen dus. - Maar de moeder in mijn nieuwe boek is niet mijn echte moeder, hoor. Het is een op mijn moeder en mijzelf gebaseerde fictieve figuur die gezien wordt door de ogen van een (niet objectief) kind.
Het is niet voor het eerst dat een recensent de personen in mijn werk rechtstreeks vereenzelvigt met mijn feitelijke familieleden. Kennelijk komen mijn gedichten en sommige verhalen over als levensecht, en dat is ook de bedoeling, maar als in mijn werk de ik-persoon klaagt over zijn of haar moeder, dan is het toch niet echt de bedoeling dat Gerry, mijn moeder, daar op aangekeken wordt.
Enigszins extreem was het in de tijd van mijn jeugdroman Gebr.. Vriendinnen belden haar op en vroegen: "Vind je het niet erg dat jouw zoon zó over jou schrijft?"
Ze vonden de moeder van de broers in dat boek, Luuk en Marius, een vreselijk mens, maar herkenden er haarfijn Gerry in. - We hebben hartelijk gelachen, mijn moeder en ik.
Toen ik eens een prijs had gewonnen belde mijn moeder me op. Ze vroeg: "En, heb je bloemen gekregen?"
"Ja," zei ik trots, "drie bossen!"
"Ikke vijf," zei mijn moeder.
Je hoort mij niet klagen, hoor. Integendeel. Ik ben heel blij met recensies in het algemeen en met deze in het bijzonder, want de recensent heeft het toch maar aangedurfd om poëzie te bespreken, en onder hedendaagse jeugdliteratuurrecensenten is dat hoogst ongebruikelijk. Poëzie is "te moeilijk" verklaarde één van hen toen ik naar een verklaring zocht. Dat ik nóg blijer ben met de andere
recensies zal wel niemand verbazen.
Ted van Lieshout (nov2005)
Het nieuwe poëzieprentenboek zou op 8 september verschijnen, op de dag dat ik de Leonardolezing gaf aan de Universiteit van Tilburg. En er waren toen ook wel exemplaren beschikbaar, maar die waren door de drukker vooruitgestuurd, want in werkelijkheid was het boek er nog niet. Er waren fouten geconstateerd bij drukker of binder - het is allemaal niet helemaal duidelijk - maar feit is dat pas nu, nú, het boek écht beschikbaar is!
De gedichten gaan over drie kinderen, hun moeder, een zomervakantie aan zee en... blauw. Ze gaan over stemmingen, van grote zorgen tot oeverloos geluk.
Stemmingen kunnen van het ene op het andere moment omslaan. Bij de prenten heb ik gekozen voor het omgekeerde: ze gaan juist níét over wisselende stemmingen; ze hebben eerder met elkaar gemeen dat ze met dóórzettingsvermogen zijn gemaakt. Over de meeste prenten heb ik dagenlang gedaan, en het deed er niet toe of ik vrolijk of verdrietig was.
Wie het kinderkoor op het omslag ziet denkt misschien - omdat achter in het boek staat dat veel tekeningen met de computer zijn gemaakt - dat ik die kinderen heb zitten kopiëeren. Niets daarvan! Ik heb ze allemaal één voor één getekend, en dat geldt ook voor de vissen en de vogels. Wie mij niet gelooft en twee kinderen op het omslag kan vinden die hetzelfde zijn, die krijgt van mij 1000 euro! Kom maar op!
Ted van Lieshout (okt2005)
Als je vroeger ziek was en hoestte, dan kocht je moeder een klein cadeautje voor je: Wybertjes (spreek uit: wiebertjes). Dat was een prettig doosje met een gaatje erin en een dekseltje erop. Je schoof het dekseltje weg, en dan kon je een paar Wybertjes door het gaatje in je handpalm schudden. Kleine, ruitvormige, harde hoestdropjes met menthol erin. - Ik heb al in geen twintig jaar meer een doosje Wybertjes gezien, maar het schijnt dat ze nog wel bestaan. Merkwaardig hoe sommige dingen geheel uit het zicht kunnen verdwijnen. Zoals ook Jujubes, een dropsoort die bij mijn weten niet meer bestaat, of in ieder geval niet meer algemeen verkocht wordt. Als ik het me goed herinner waren Jujubes de enige dropjes met een zachtzure smaak. (Ter verduidelijking: alle drop van vandaag de dag is zout, zoet of zoutzoet.)
In mijn boek PAPIEREN MUSEUM 1 staat een collage van afgesabbelde ijslollystokjes. Ik was helemaal weg van Fruitjoy en soms nam ik er wel twee per dag. Heeeeeeerlijke ijsjes. De afgelikte stokjes gebruikte ik voor een "kunstwerk".
Maar de fabriek die die ijsjes maakt heeft de receptuur veranderd van erg goed naar heel slecht. Het was meteen duidelijk waarom de fabriek dat heeft gedaan: de ijsjes smaken nu nauwelijks meer naar fruit en hebben een melkachtige smaak. Ze lijken zoveel mogelijk op hét favoriete ijsje van kinderen: de Raket. Dat is een ijsje van een andere fabriek. De fabriek die Fruitjoy maakt hoopt meer kopers te trekken door een ijsje te maken dat meer op de populaire, maar smakeloze en ietwat weeïge Raket lijkt. - Het originele, verrukkelijke Fruitjoy-ijsje is weg, verdwenen. Uitgestorven.
In de vriezer heb ik nog twee originele Fruitjoys. Die bewaar ik voor latere generaties. Voor de geschiedenis.
Met boeken gaat het net zo, maar daar moet ik het een andere keer maar eens over hebben.
Ted van Lieshout (sep2005)
Al dertig jaar woon ik in Amsterdam. Elke maandag loop ik met mijn boodschappentas langs het Koninklijk Paleis op de Dam, omdat ik boodschappen doe in de supermarkt erachter. Ik ben er nooit binnengeweest. Misschien dacht ik: ik ga wel een keer binnen kijken als de koningin me uitnodigt. Maar dat is er almaar niet van gekomen, dus nu besloot ik op eigen initiatief eens een kijkje te nemen. Met een vriendin, want om de een of andere rare reden durfde ik niet alleen.
We mochten lang niet overal komen, eigenlijk alleen op de eerste verdieping. Dat was wel jammer, want ik wou de koninklijke slaapkamers graag zien en de kerkers in de kelder, van toen het Paleis nog dienst deed als stadhuis. Maar de eerste verdieping was ook mooi, vooral de Burgerzaal. Dat is een hoge hal in het midden van het Paleis met een planken plafond vol schilderingen, en een stenen vloer waarin drie ronde kaarten zijn ingelegd: op de eerste staan Europa, Azië, Afrika en Australië (Antartica weet ik niet zeker), op de derde staat Amerika, en op de middelste de sterrenhemel.
De pracht en praal van de zaal was zo onhollands, dat we ons even in het buitenland waanden, in plaats van tussen mijn huis en de supermarkt in. De kroonluchters vonden we dan weer een beetje magertjes, maar mijn vriendin was wel te spreken over schemerlampjes in dezelfde stijl: een halve cirkel met kaarsachtige lampjes erop en tierelantijnglaswerk eraan bungelend, en dat gemonteerd tegen een spiegeltje, zodat het toch een héle ronde lamp lijkt - wél weer heel Hollands...
Een vriendelijke suppoost deed voor ons het luik open voor een van de vensters, zodat we konden kijken naar een van de twee binnenplaatsen die het Paleis rijk is. Ze vertelde dat het personeel daar 's zomers een barbecue krijgt aangeboden, maar de koningin is daar dan niet bij.
Eigenlijk vind ik dat het Paleis permanent geopend zou moeten zijn en wel in zijn geheel, van de zolder tot de kerkers. Alleen op dagen dat de koningin gebruik wil maken van het Paleis, zou het voor het publiek gesloten kunnen zijn. Helaas is dat niet het geval. Dus wie zelf eens wil kijken in het Paleis, kan dat in ieder geval heel de maand augustus doen van 11 uur in de morgen tot 5 in de middag. Volwassenen betalen 4,50 euro, kinderen van 4 tot 6 mogen er gratis in en kinderen van 6 tot 16 betalen 3,60. Kijk ook op www.koninklijkhuis.nl. Daar zijn virtuele rondleidingen te zien.
Ted van Lieshout (aug2005)
Omdat ik 25 jaar "in het vak" zit - in 1980 begon ik als illustrator aan mijn loopbaan - was er een feestelijke avond. Ik gaf een lezing, er was een interview, er werden filmpjes vertoond en er werden liedjes die door mij geschreven zijn gezongen. Iedereen was het er in de pauze al over eens: het was een puike avond en een groot succes!
Twee dagen later mocht ik een andere lezing geven ter gelegenheid van het feestelijke afscheid van een meneer bij een organisatie die te maken heeft met onderwijs. Over hoe ik kinderen in contact probeer te brengen met beeldende kunst.
Ik was ingehuurd voor een vol uur, maar toen ik bezig was begon na veertig minuten de mevrouw die de middag presenteerde al luid te zuchten en te steunen. Ze haalde me daarmee behoorlijk uit mijn concentratie, en tot overmaat van ramp zag ik dat op de vijfde rij een andere mevrouw net deed of ze in slaap gevallen was. Dat denk ik, omdat ze niet zat te knikkebollen met haar hoofd naar voren gevallen, maar omdat ze zat met haar hoofd achterover en haar mond een beetje open. Dat was zo opzichtig, dat ik dacht dat ze het expres deed.
Na vijftig minuten maakte de presentatrice hardop duidelijk dat ze vond dat de tijd op was en dat ik op moest houden, dus ik zei nog gauw even wat de conclusie was van mijn betoog, en stapte gedemotiveerd het podium af.
Daarna stapte die mevrouw zelf het podium op en zei: "En nu gaan we beginnen aan het leuke deel van de middag."
Ted van Lieshout (jul2005)
"Wij zullen zorgen voor de lunch," krijg ik vaak te horen als ik uitgenodigd ben om naar een school te komen om voor te lezen.
"Dat hoeft niet," zeg ik dan, "want ik neem zelf wel een boterhammetje mee."
"Ja maar, die en die schrijver komt ook en die wil wél gebruik maken van de lunch."
"Nou goed, dan doe ik mee," zeg ik ten slotte.
Dan is het lunchtijd en dan staat daar een doorgaans rijk gedekte tafel, en vervolgens gaan de docenten die mee-eten het goede voorbeeld zitten geven: ze pakken een broodje, snijden het bijna doormidden, beleggen het met één flinterdun plakje rookvlees, klappen het broodje weer dicht, en gaan zitten kauwen. Zo willen ze waarschijnlijk laten zien dat ze bescheiden zijn.
Ik heb daar een hekel aan. Waarom een volle tafel neerzetten en dan zuinig doen?
Ik pak een broodje, snijd het helemaal doormidden en leg de ene helft apart: ik doe net, als het ware, of een héél broodje veel te onbescheiden is. En omdat ik maar een half broodje eet, leg ik er wel twéé plakjes rookvlees op.
Terwijl ik dat eet kijk ik rond om te zien of iemand het gek vindt. Meestal laat niemand iets merken, dus dan kan ik de andere helft van het broodje opeten met een royale plak kaas erop. Het tweede broodje gaat precies zo. Het derde ook.
Ted van Lieshout (jun2005)
Regelmatig mag ik ergens in het land op een school, in een bibliotheek of in een theater komen voorlezen. Ik heb dan altijd een stapel boeken bij, en om die te beschermen - ze moeten langer mee - heb ik ze gekaft in plakplastic. Er staat ook een stempeltje in met mijn naam en adres, zodat het boek terugbezorgd kan worden als ik het vergeet of verlies.
Ik stond gek te kijken toen ik er laatst achter kwam dat uit een stapeltje van al mijn dichtbundels er twee verdwenen waren. Ik wist zeker dat ik ze meegenomen had, dus er was geen andere conclusie mogelijk: ze waren gestolen. Ik had ze maar vijf minuten ergens laten liggen, omdat ik een kopje thee ging halen. Toen ik terugkwam waren ze weg: Een lichtblauw kleurpotlood en Papieren Museum 1.
Ik heb niets gezegd, omdat ik thuis per se wilde controleren of ik ze toch niet per ongeluk daar had laten liggen, maar dat was niet het geval. Ze zijn dus kwijt. Iemand wou ze zo graag hebben, dat hij of zij genoegen wilde nemen met mijn met plastic beplakte, tweedehandse exemplaren. Ik zou me gevleid willen voelen dat iemand bereid is om mijn boeken te stelen, maar ik ben er natuurlijk helemaal niet blij mee. Vooral omdat Een lichtblauw kleurpotlood niet meer verkrijgbaar is, dus ik heb alleen nog een paar exemplaren die in mijn archief horen. Die zijn bestemd voor tentoonstellingen en dergelijke.
Ik maakte eerder al eens mee dat iemand Papieren Museum 1, eh, meenam. Ik was te gast in een radioprogramma en zag dat een andere gast mijn boek (het exemplaar van de presentator van het programma) onderop zijn stapeltje boeken had gelegd en, laten we zeggen per ongeluk, ermee vandoor wilde gaan. Ik kon het niet laten en zei er iets van.
Toen een half uur later de presentator vertrok en zijn exemplaar van PM1 zocht, bleek het alsnog verdwenen. Iemand ánders had het meegenomen. Toen voelde ik me wel enigszins gevleid.
Ted van Lieshout (mei2005)
In zijn recensie van Goochelaar! schrijft Jan Van Coillie: '"Dat is inderdaad een leuk beroep." Dit hoor ik een jongen nog niet zo snel zeggen.'
Helemaal zeker ben ik er niet van, maar ik vermoed dat Van Coillie niet zozeer valt over het woord beroep, maar over het woord inderdaad. Dat is dan niet toevallig, want de redacteur van de uitgeverij viel er óók over. Ze vond dat een kind dat woord niet gebruikt. Ik was eigenwijs en liet het woord staan. Maar het is nu dus wel twéé tegen één!
Ik ben er een verwoed voorstander van om kinderen te confronteren met woorden die ze waarschijnlijk niet kennen, want je kunt nu eenmaal alleen woorden leren als je ze voorheen niet kende. Of om een ander woord in het verhaal bij de kop te nemen: in de brief van de notaris die in
Goochelaar! voorkomt staat het woord: hoogachtend. Dit woord biologeert de hoofdpersoon zozeer, dat hij in plaats van hooggeëerd publiek zegt: hoogachtend publiek.
Ieder mag daar het zijne van denken, maar ik doe dit soort dingetjes graag: laten zien dat de hoofdpersoon iets aan het bijleren is, in ontwikkeling is. De taal als organisch, kneedbaar instrument.
Volwassenen met moeilijkewoordenvrees moeten misschien maar ver wegblijven van een volgend verhaal (over hetzelfde jongetje en zijn vader) dat ik zojuist geschreven heb. Daar komen namelijk woorden in voor als onberispelijk, onbesproken gedrag en sollicitatiebrief. Die komen weliswaar niet uit de mond van de hoofdpersoon, maar deze wel: Dan zou ik maar eens opruimen. Dat is overduidelijk iets wat een volwassene tegen een kind zegt, en dit kind zegt dat terug tegen zijn vader.
Vanochtend las ik voor in een combinatiegroep 5/6, en ik tekende op een flip-over een dame met een laag uitgesneden truitje en sneetje in het midden.
"Tieten," riep een meisje. Ik zei: "Daar bestaat een netter woord voor." Een ander meisje riep: "Borsten." En een jongen, merkbaar ingenomen met het feit dat hij eindelijk een woord kon zeggen dat hij kende, maar in het dagelijks taalgebruik niet kon gebruiken, zei: "Decolleté."
Twéé - twéé, lijkt me.
Ted van Lieshout (apr2005)
Op reis gaan was niets voor mij. Op mijn vijftiende wilde ik niet meer mee met het gezin op vakantie en ik bleef voortaan lekker in mijn eentje thuis. In 1983 ben ik vijf dagen naar Kopenhagen geweest, en verder ben ik altijd in eigen land gebleven, of liever gezegd: thuis.
In 2002 kwam daar pas verandering in. Toen ben ik met enkele andere schrijvers naar Curacao gegaan om daar voor te lezen op scholen. Ik bleek dat erg leuk te vinden, en nóg leuker vond ik de vrije middagen waarop ik met snorkel en al lag te spartelen in zee. Ik was vergeten hoe heerlijk ik dat eigenlijk vind; op mijn veertiende deed ik dat voor het laatst voor de kust van Frankrijk!
Inmiddels heb ik de smaak te pakken en ik heb het geluk dat ik zo nu en dan gevraagd wordt om in het buitenland te komen voorlezen. In die paar jaar tijd ben ik in Ghana geweest, in Zwitserland, twee keer in Parijs, en ik ben juist teruggekeerd uit Oslo, waar ik een lezing mocht geven over: "What's the point of illustration?"
Eén keer liep het anders. Ik werd gevraagd om mijn tekeningen te komen laten zien in Egypte en ik accepteerde de uitnodiging onmiddellijk. In mijn agenda stond voor die periode maar één afspraak gepland - voorlezen tijdens een literaire middag in een theater in Haarlem - en het leek me niet moeilijk om voor een vervanger te zorgen. Ik belde het bureau dat de afspraak geregeld had om te overleggen. We spraken af dat ik de organisatrice van de literaire middag zou bellen om een vervanger voor te stellen. Maar toen ik die mevrouw belde, bleek dat de juffrouw van het bureau zojuist zelf had gebeld met de mededeling: "Ted van Lieshout wil niet komen!"
Nog voor ik iets kon zeggen was die mevrouw al zo boos dat het verder geen zin meer had om een vervanger voor te stellen. Ik kon niet anders dan de reis naar Egypte weer afzeggen. Achteraf bleek dat het totaal geen probleem was geweest als iemand anders was komen voorlezen in Haarlem, maar toen was het natuurlijk te laat.
Ted van Lieshout (mrt2005)